Nobelprijs voor Svetlana Alexijevitsj

Afgelopen week won Svetlana Aleksijevitsj de 112e Nobelprijs voor de Literatuur. Deskundigen waren niet verbaasd, de Wit-Russische journaliste stond al bovenaan de favorietenlijstjes.

Geen verrassing dus, wat best wel verrassend is als je bedenkt dat er maar weinig mensen bekend zullen zijn met Aleksijevitsj. Op de website van de Nobelprijs beantwoorde slechts 12% van de bezoekers de vraag of zij ooit iets van Aleksijevitsj hadden gelezen positief.

Veel van haar werk is al tijden slecht tot niet te verkrijgen. Op het moment van schrijven kost de goedkoopste (en enige van twee beschikbare) kopie van War’s Unwomanly Face (1988), het eerste deel van de vijfdelige serie Stemmen uit Utopia, op Amazone.com 2,200 dollar.

Aleksijevitsj heeft voor Stemmen uit Utopia duizenden mensen geïnterviewd om juist díe verhalen uit het Sovjetverleden die de overheid probeerde weg te poetsen, te vertellen. Tsjernobyl, Sovjet-soldaten in Afghanistan, en de (Tweede Wereld-)oorlog uit het perspectief van vrouwen en kinderen.

Het enige werk dat naar het Nederlands vertaald is, is het laatste deel Het einde van de Rode mens. Een epos van zelfmoordenaars – Mensen die in zozeer één waren geworden met de wereld en de waarden van de Sovjetunie, dat zij tot zelfdoding besloten toen het rijk ineenstortte. Als een leger dat ten onder ging, iedere soldaat in eenzaamheid.

De verhalen die Aleksijevitsj’ optekende ben ik de afgelopen jaren telkens in andere context tegen gekomen. De werken zijn zo secuur ontdaan van de stem van de interviewer, dat ik vaak niet eens door dat ik een verhaal van Aleksijevitsj’ hand las, tot ik het terug probeerde te vinden.

Als kenner zal ik mezelf niet kwalificeren – ondanks mijn obsessie met alles historisch en Russisch, heb ik slechts met een klein deel van Aleksijevitsj oeuvre kennis gemaakt.

Maar zelfs voor deskundigen geldt: over Aleksijevitsj’ werk kun je eigenlijk niet schrijven zonder tekort te schieten. De schoonheid en overtuiging van haar boeken zit hem in de omvang van het koor aan stemmen die ze aan het woord laat, en de constructie waarmee zij de verhalen “als een Griekse tragedie” heeft gearrangeerd.

Schrijnende hartenkreten, waarin de dood tegen een dagelijkse achtergrond ten tonele treed. “Sasja is levend verbrand in zijn moestuin, tussen de komkommers,” zo begint Marina, Sasja’s buurvrouw, haar herinnering.

Volgens de Zweedse Academie heeft Aleksijevitsj met haar werk een nieuw literair genre gedefinieerd. De Wit-Russische heeft verhalen scherp uit urenlange interviews gekristalliseerd, en deze kristallen tot een kostbare ketting geregen.

Toch is Het einde van de Rode mens ook Oral History, en zoals een historicus weet, is informatie altijd gekleurd door de bron die de kennis doorgeeft. Het bijzondere aan Aleksijevitsj’ arrangement als bron is dat hoewel de dood ieder kristal gevormd heeft, hij fonkelt van het leven.

“Ik heb een icoontje in een hoek en een hondje om mee te praten. Een kooltje alleen blijft ‘snachts niet gloeien, zeggen ze, maar ik hou vol.”

Terwijl de ene na de andere Rode soldaat valt, komen hun verhalen bij de lezer via iemand die wél vast bleef houden aan het leven. Ondanks dat het ook hún rijk was dat ten onder ging, en zij de duistere belevingswereld kennen hielden zij vast aan de schoonheid.

“Als je leeft, ook al ben je niet gelukkig, kun je door de frisse lucht lopen, in je tuintje.”

Een vensterbank vol bloemen, door je kleding heen natregenen, de herinnering aan iedereen die er eerst nog was, dat zijn de dingen die de sprekers aan deze zijde hielden.

Over Alexievich kun je eigenlijk niet schrijven zonder haar werk tekort te doen, dus laat ik het hierbij, nadat ik nog een bescheiden wens uitspreek:

Kan het winnen van de Nobelprijs voor de Literatuur er alsjeblieft voor zorgen dat de Encyclopedie van de Rode mens binnenkort met bijpassende harde kaften gebonden in de winkel ligt?

 

 

Advertisements

Re: Angst en Kurt Westergaard

In Re: kijkt hard//hoofd van een afstandje naar actuele zaken. Simone bezocht het streng beveiligde Festival voor het Vrije Woord.

Onder een waterval van applaus kwam hij De Balie binnenschuifelen: Kurt Westergaard. Applaus voor de tachtigjarige cartoonist die zijn leven niet heeft overgegeven aan angst. En een beetje voor het publiek zelf, omdat wij hem durfden te ontvangen. Nog voor het enthousiaste handengeklap zou overgaan in een toejuiching viel de zaal weer stil. We zaten hier immers om zijn recht op vrijheid te onderstrepen, niet voor de inhoud van zijn cartoons.

Westergaard, zo teer als een papieren tekening, zag er strijdbaar uit in zijn felrode broek en baret met lovertjes.

‘Are we [cartoonists] sensitive seismographs, detecting the tremors of coming political earthquakes and the catastrophes that follow in their wake? Are we sometimes throwing cartoon roadside bombs, not to derail but to warn and bring politics back on the right track?’ begon Westergaard zijn persvrijheidslezing.

‘Maar je gaat wel?’ vroeg mijn vader toen hij las wie de mystery guest zou zijn. De Balie had gasten de mogelijkheid geboden om hun geld terug te vragen als zij niet instemden met de verhoogde veiligheidsrisico’s. (Niemand heeft hier overigens gebruik van gemaakt).

‘Mijn zus zei dat ze hier voor geen goud bij zou willen zijn,’ bekende iemand op de rij voor mij tegen de Amsterdamse burgemeester Van der Laan.
‘Dat begrijp ik wel,’ antwoordde de burgervader vriendelijk en hij rechtte zijn rug. Hij erkende de spanning en aanvaardde hem.

Angst is een belangrijk – zij het niet altijd even betrouwbaar – beschermingsmechanisme. Angst zorgt ervoor dat iemand wegrent, of in de aanval gaat. En soms kan angst ervoor zorgen dat je bevriest. Dit is het meest gevaarlijke gevolg voor een samenleving, zonder beweging val je stil.

Het klinkt misschien paradoxaal: strenge beveiliging om vrij te zijn. Maar toen ik de agent die voor De Balie mijn paspoort controleerde in zijn ogen keek, wist ik dat hij dit deed voor ons beider veiligheid. In Moskou bezocht ik eens een straatprotest, waar naar verhouding minstens tien keer zo veel politie aanwezig was. Als je zo’n Russische agent in de ogen kijkt, weet je dat hij jou, om te beginnen, het liefst in zijn ME-bus had gegooid. Een heel ander gevoel, verzeker ik je.

Maar we moeten wel weten wat we beveiligen, wat wij willen beschermen. Dat is een lastig inzicht, waar eigenlijk pas ruimte voor is wanneer de veiligheid volledig gewaarborgd is, óf wanneer deze ernstig in het gedrang komt. Daartussen is er de afwas, je dochter uit school halen, weer proberen te stoppen met roken en liefdesverdriet. Leven.

Sinds februari lees ik vaak: ‘Waarom waren jullie allemaal ineens Charlie Hebdo, maar tekenen jullie zelf Mohammed niet?’ Men make tussen het piepers snijden door een ommetje over de Vijzelgracht naar de Dam en is ineens een goed burger met morele overtuiging? Mijn antwoord: Ja. De jesuischarlie-manifestaties waren een uiting van ieders overtuiging: normaal kunnen leven, plus en masse de straat op wanneer wij dat nodig achten.

Er is geen behoefte aan een wildgroei van activisme voor allerhande extreme meningen enkel omwille van het aantonen van vrijheid. Toch is het belangrijk dat wij, als een seismograaf, onze samenleving blijven meten. Bedenk (terwijl je in je double mocha hazelnut latte roert) waar je staat en verdedig dat in de toekomst. De overtuiging dat kunstenaars en democratisch verkozen politici heelhuids hun werk moeten kunnen doen, ligt daar hopelijk achter.

Anger is a good, active feeling when you are being threatened,’ sprak Westergaard. Maak je boos. Protesteer als er een inbreuk op jouw markering wordt gedaan. Zelfs als je vorige keer te druk was om boos te zijn, of niet zeker weet of je de volgende keer wel kan i.v.m. voetbaltraining. Je hoeft niet permanent op de grens van jouw denkwijze te staan om te weten waar hij ligt.

Dat is onze luxueuze vrijheid: niet gedwongen worden om doorlopend op het scherpst van de snede je eigen gedachten te verdedigen. Saai hè? Best wel, maar bedenk maar hoe het leven zonder die vrijheid zou zijn.

Afbeelding: still uit Westergaards lezing via De Balie TV

Post uit Moskou 8

“Kiev”
Milaya Maite,

Wat mis ik je nu. Dat weet je wel, toch?

Terug in Kiev, wat een plek. Tegen de alleenheid heb ik een kamer in een hostel gehuurd. Vanwege de crisis in Oekraïne zit het hostel vol met jonge mensen uit Donetsk, Luhansk, Sevastopol en Odessa. Er woont zelfs een jongen die het niet meer trok in Rusland en nu probeert zijn leven hier op te bouwen.

Ken je dat verhaal over Boelgakov? Dat hij met zijn vrouw een kamer in een Kommunalka had, en dat zijn huisgenoten de inspiratie voor zijn demonen in De meester en Margarita vormden?

Hier spookt het ook. In de keuken klinkt een kakofonie van bevlogen idealen en gedachtegoed, iedereen is grenzeloos politiek geëngageerd en onvermoeibaar in discussie.

Illustratie uit De meester en Margarita

In Kiev, waar politiek verdomd veel uitmaakt en geacht wordt nog een hele hoop te veranderen, houdt iedereen er een mening op na. Van hard-linerlibertarianen, nostalgische socialisten, pure nationalisten tot neofascisten; noem het maar op en ik ben het hier tegen gekomen.

Gisteren in de lift vroeg een jongen nonchalant: ‘Hè, weet jij niet waar ik een kopietje van Mein Kampf op kan pikken?’

Negentien jaar was ‘ie, misschien stond ie stoer te doen. Maar in de barre situatie dat mensen toevlucht zoeken in allesomvattende ideologieën, terwijl zich hier geen recente denker meer aan waagt, lijken sommige mensen alles aan te grijpen.

Ondertussen staat het land op zijn kop.

Beelden van de oorlog die geen oorlog heet, kleuren ieder televisiescherm. Tanks, bataljons, explosies… De beelden, verhalen en herinneringen voeden het allemaal, want in Kiev is het eigenlijk best rustig nu.

De eigenaresse van het hostel ziet alles met lede ogen aan. Ze is Russische, vijfendertig jaar geleden getrouwd met een Oekraïner en geboren in Novosibirsk. Trots toont ze me foto’s van het operahuis en de nieuwe brug die Poetin eigenhandig is komen openen.

‘Zo’n mooie stad,’ keuvelt ze, terwijl ze met haar mollige vingertjes door de Google-zoekresultaten scrolt.

Wanneer ik haar vertel dat ik volgende week naar Moskou ga, kijkt ze vrolijk. Ze heeft genoeg kritiek op Rusland gehoord de afgelopen tijd en is blij dat ik heen en weer reis alsof er niets aan de hand is.

‘Vertel ze daar dat we in Oekraïne allemaal zo slecht nog niet zijn,’ zegt ze opgewekt.
‘Ik hoop voor iedereen hier dat het ooit weer goed komt tussen Rusland en Oekraïne,’ antwoord ik onhandig.
‘Oh Simone,’ haar gezicht betrekt direct weer.
‘Dat gaat nog heel, heel lang duren.’

Do zvidanya,
Simone

 

Post uit Moskou 7

“New York”

Tijdelijk zonder visum voor het land van de eindeloze toendra’s schrijf ik je nu vanaf de andere kant van de oceaan. Als de gele Pegman van Google Street View voel ik me uit huis gegraaid, de globe rondgeslingerd en op een willekeurige straathoek in Manhattan neergeplempt.

Ik had gedacht dat New York en Moskou qua sfeer op elkaar zouden lijken, vanwege de hoogten en het aantal inwoners, maar het is hier een stuk voller, luider en iedereen bemoeit zich met elkaar. In Amerika ben je eigenlijk constant in gesprek: als je het stoplicht of de metro net wel of net niet haalt, vrolijk koffie bestelt, of wanneer je nieuwe schoenen aan hebt, overal wordt wat van gezegd.

In Moskou kom je dat soort bemoeizucht toch minder tegen. Eens schoot een buschauffeur vuur uit zijn ogen en weigerde bijna om mij een kaartje te verkopen omdat ik instapte met een monter “Goedendag!” – dat was het voor hem blijkbaar niet. Nederlandse straatgewoonten zitten volgens mij veilig tussen deze uitersten in.

Maite, het arrogante New York stoot mij soms best wel tegen de borst. Op een vrije dag ging ik naar Brighton BeachLittle Russia, en ik voelde me thuis. Russisch gekeuvel op straat en opportunistische commerciële exploitatie: een steeg met een bergje vodden op de grond had het bordje ‘Flea Market’ gekregen. In restaurant Tatiana stond een schmutzige pinautomaat waar je voor 5$ toeslag je cash uit kon trekken (Tatiana volgens een Yelp-recensie: “Two words: Russian Opulence”).

Wandelend over de boulevard zag ik enkele Oekraïense vlaggen hangen. InLittle Russia wonen niet zozeer Russische Russen, als wel inwoners van voormalige Sovjetstaten die de Russische taal met elkaar gemeen hebben (decore gemeenschap, zo heb ik me laten vertellen, zijn Oekraïense Joden).

Brighton Beach, circa 1959 – Foto: Helmut Newton.

Bij de Ice Cream Truck riep de ijscoman mij toe: “Heay Krasavitsa!” (schoonheid!)
Met een ijsje slenterde ik over het strand. Deze Soviet emigrés hebben maar een mooi plekje voor zichzelf weten te bemachtigen aan de Atlantische oceaan. En ze weten het zich verdomd eigen te maken – ik vond zelfs een één roebel muntje op het strand.

Ach, misschien was dat slechts mijn romantische geest die het daar ophemelde: onder een rood fleecedekentje gezeten zei de lifeguard dat hij het zeewater alleen bij strikte noodzaak zou betreden. Iets met “riool- of fabrieksafval” een stukje stroomopwaarts.

Vanaf zijn hoge uitkijk stoel knoopte de New Yorkse Oekraïner een praatje met me aan. “Jij bent Russisch?” stelde de strandwacht vragend vast.
“Nee,” zei ik.
“Wat dan?”
“Ik ben in Nederland geboren.”
Hij knikte begrijpend. Een Rus die in Nederland is geboren, net als hij, een Oekraïner in de VS.

Do Zvidanya,
Simone

Een Fransman

In het hostel op een slaapzaal met tien bedden sliep een Franse man van zestig. Hij liep met gebochelde rug. Op zijn hoofd lag wat dun, verloren haar en om zijn uitgezakte lichaam hing tot aan kleurloos verwassen kleding.
In Kiev was hij op zoek naar een vrouw. Tot dat doel schreef hij dagelijks briefjes: ‘Mijn naam is zus-en-zo, wil je met mij?’ die hij rond de stad bij Oekraïense vrouwen in de hand drukte.
Zojuist voltooide hij zijn tweede bezoek aan de stad. Op een briefje schreef hij aan mij in sierlijk handschrift:
“Please call a taxi, from L’va Tolstovo number 4,
to Borispol Aeroport. Ask for price in UAN.”
Vermoedelijk dacht hij dat ik de receptioniste was en ik corrigeerde hem niet. Het is een kleine moeite om een taxi te bellen.
“Over 4 minuten, voor 127 Hryvna,” vertelde ik hem in het Frans, met mijn hand op de ontvanger. Dankbaar knikte hij ja, en zei ‘dat is niet veel,’ en ‘zeg maar dat ik hem nu nodig heb.’ Engels sprak hij niet, Russisch of Oekraïens allerminst.
De telefoniste van de taxicentrale kreeg haar “Ok” en de man haastte zich onmiddellijk met zijn schoudertas en een klein zwartleren koffertje naar het stenen trappenhuis.
Ik liep naar de deur en riep, “Monsieur!”
Zijn gebogen rug draaide zich tot zijn gezicht verscheen.
“Monsieur, het wordt een zwarte Dacia… De taxi, is een zwarte Dacia Logan.”
“Dacia…Logan…Dacia…Logan” mompelde de man, glimlachte ‘merci’ en keerde zich weer van mij af, richting de lift.
Terug in de keuken waar hij mij had aangesproken keek ik uit het raam. In het witte herfstlicht, achter een haveloos metalen hekje op een bevroren stoep, stond de Fransman. Onderweg naar het huis waar hij in eerste instantie had bedacht om zijn eenzaamheid in Oekraïne te gaan bevechten. Wederom alleen.
Met zijn koffertje.

Post uit Moskou 6

“Spionnen” 

Brieven van en naar een flat naast de derde ringweg van Moskou. Maite en Simone schrijven elkaar over van alles en nog wat. “Alsof de homofobe Russen nu denken: goh, in Amsterdam staan mensen met vlaggetjes te zwaaien, eigenlijk zijn gays best oké.”

Milaya Maite,

Afgelopen brief vertelde ik je dat Russen mij er af en toe van verdenken een spion te zijn en dat moet ik nog even toelichten.
Het klinkt wat James Bond misschien, maar de wereld van spionnen, informanten en geheim agenten voelt hier zo ver weg nog niet.

Spionne Anne Chapman (Kushenko) werd in 2010 de VS uitgegooid en in Moskou met wapen op de catwalk gezet, nu is ze tv-presentatrice. En vorig jaar werd de Amerikaanse Ryan C. Fogle met pruikjes en valse paspoortenaan de schandpaal genageld.

De eerste keer dat ik zelf verdacht werd was begin april, toen ik langs een bijeenkomst van de partij van Eduard Limonov liep. Ik was toevallig in de buurt om een croissant te kopen toen ik de dranghekken, het rokende benzine-aggregaat en metaaldetectors zag staan: karakteristiek voor een Russische demonstratie, natuurlijk gedecoreerd met verveeld kijkende politieagenten.

Het was nog koud, maar de lage zon brandde heerlijk fel op mijn wangen. Buiten de dranghekken stonden een modieus gekleed meisje en een jongen van rond de twintig jaar. Ik sprak ze in het Engels aan:”Zijn jullie hier voor de demonstratie? Wat gaat er gebeuren?”
Het stel was vriendelijk en ze deden hun best om me uit te leggen wat er aan de hand was, maar het kostte ze moeite om de juiste Engelse woorden te vinden. Om behulpzaam te zijn ging ik over op het Russisch. De jongen kneep zijn ogen tot spleetjes.
“Je spreekt gewoon Russisch?” constateerde hij berekenend. “En vrijwel accentloos?”

Hij werkte zich langzaam uit het gesprek, ging enkele meters verderop staan maar lachte en knikte wel als ik naar hem keek.
“C. dacht dat je een geheim agent was,” zei het meisje later. De jongen had wat politiek engagement op zijn kerfstok en was nu op zijn hoede.

Dit was me sinds mijn eerste keer in Rusland in 2012 nog nooit overkomen, maar het gebeurt sindsdien wel vaker. Zomaar. Als gevolg van mijn redelijke beheersing van het Russisch werpen mensen me toe: “Ben je een buitenlands agent?”

Maite, wat zeg ik daar in godsnaam op terug? “Welnee, Ik ben gewoon geïnteresseerd in jullie land, taal en cultuur?” – dat wordt met ongeloof ontvangen.

Laatst tijdens een optreden van On-The-Go kwam ik een jongen tegen. We babbelden wat tot ik de bekende glazige blik in zijn ogen zag verschijnen: hij vroeg zich af of ik misschien buitenlands was.
“Ik kom uit Nederland,” zei ik.
“Echt waar?” zei de jongen. “Je Russisch is erg goed. Iets TE goed. Serieus. Te goed.” Stilte. “Ben je een geheim agent?”

Ik lachte nonchalant boven mijn Old Fashioned. “Natuurlijk niet,” zei ik terug.
“Maar hé, jij komt me wel bekend voor,” vervolgde ik. “Stond jij niet onlangs met een vlag van Donetsk te zwaaien op Den Rossija?”

De jongen keek me gekweld en verbijsterd aan.
“Je lijkt er sprekend op,” drong ik aan. “Stond jij op de heuvel bij de universiteit met een Donetsk-separatistenvlag te zwaaien?”
“Nee, nee dat was ik niet,” zei de jongen beduusd.
“Wat jij wilt,” besloot ik, en nam een slokje.

Do Zvidanya,
Simone

Post uit Moskou 5

“Zoals het hoort” 

Brieven van en naar een flat naast de derde ringweg van Moskou. Maite en Simone schrijven elkaar over van alles en nog wat. “Alsof de homofobe Russen nu denken: goh, in Amsterdam staan mensen met vlaggetjes te zwaaien, eigenlijk zijn gays best oké.”

Milaya Maite,

Vorige week ging ik met een Russische vriend, V., naar een festival. Hij had me uitgenodigd mee te komen, maar bij aankomst bleek dat hij nog helemaal geen kaartjes had. Anderhalve meter voor de portier belde V. een vriend van een vriend uit de organisatie en begon direct ontzettend te schelden:
“Ik sta hier voor de deur zonder kaartje, komt er nog iemand een pasje brengen of wat? […] Veertig minuten? Wat denk je, dat ik hier zo lang ga wachten? Kom hierheen! Schiet op!”

Ik ben inmiddels zo lang in Rusland dat ik soms vergeet dat dit asociaal gedrag is. Ongemerkt heb ik zelf ook wat nieuwe gewoontes opgepikt: in Amsterdam ging ik met een oud-collega, John, uit eten. Ik stootte per ongeluk mijn wijn om, wenkte de serveerster en omcirkelde, zonder mijn verhaal te onderbreken, in de lucht met mijn wijsvinger de plek waar het drankje lag. John’s mond viel open. “Jezus Christus, Simone…”. Oh ja.

Het verbaast me ook dat mijn moeder nog geen bombrief heeft opgestuurd sinds ik de gewoonte heb ontwikkeld om een uitdrukkingsloze “Hm-hhmmm” als volwaardig antwoord in gesprekken te hanteren. Maar toch, Maite, maar toch. Op mijn harde schijf staat een onuitwisbaar stukje Nederland geprogrammeerd. En goddomme, ik voel me soms zo verschrikkelijk Nederlands in Moskou.

Casual conversation kom ik vaak best door zonder voor een niet-Rus te worden aangezien. Als mijn gesprekspartner na een tijdje begint te fronzen omdat er iets ‘niet helemaal juist’ moet zijn, denken ze vaak nog dat ik een Est, Let, of misschien Oekraïense ben – niet al te ver weg van het moederland. (Door de huidige politieke situatie word ik hierdoor ook nog wel eens voor spion of geheim agent aangezien, maar daar zal ik je in een andere brief over schrijven.)

Wanneer er geklonken wordt, roep ik altijd grof “proost!” – tot teleurstelling van de Russische tafelgenoot, die een ellenlange anekdote vol lof over het gezelschap en onze ontmoeting verwacht. Ook kan ik het vaak niet laten om te verkondigen: “In Nederland doen we het zo…” als iemand beklag doet over de Russische gang van zaken. Bij de metro zeg ik nog altijd: “Goedemiddag, zou ik alstublieft een kaartje voor negentig minuten mogen?” in plaats van “Negentig minuten” te grommen. Of Russischer nog: zonder een woord de roebels naar voren schuiven, de kassière weet immers zelf ook wel dat ze kaartjes verkoopt.

In principe is er ook geen reden om deze laatste vriendelijkheden af te zweren, enkel omdat het geen lokale gewoonten zijn. Wellicht, met vasthoudendheid, blijft er wat als sediment op het Russische plakken. De kassières lachen inmiddels ook al samenzweerderig met mij zodra ik binnenkom.

Do zvidanya,
Simone

Foto: Pinksteren, jaren vijftig in Pskov.

Post uit Moskou 4

“Klein protest”

Brieven van en naar een flat naast de derde ringweg van Moskou. Maite en Simone schrijven elkaar over van alles en nog wat. “Alsof de homofobe Russen nu denken: goh, in Amsterdam staan mensen met vlaggetjes te zwaaien, eigenlijk zijn gays best oké.”

Milaya Maite,

Heb ik je al wel eens gezegd dat ik me gloeiend trots voelde toen vorig jaar in Rusland de beelden binnendruppelden van de regenboogdemonstratie tijdens het bezoek van Poetin in Amsterdam? 
“Wat kan het jullie daar nou weer schelen wat er met de homo’s in Rusland gebeurd?” vroeg iemand me. “Wij hebben wel grotere problemen dan de homo-kwestie,” hoor ik van Russen vaak als het onderwerp valt.

Dat de aandacht van westerse journalisten voor de seksuele minderheden wellicht wat onevenredig is, lees je ook terug in dit artikel uit Sochi tijdens de Olympische spelen, toen de enige gay bar in de stad overspoeld werd met correspondenten.

“Het valt allemaal mee,” zeggen sommige Russen, als je ze toch tot een antwoord dwingt. “Er zijn gewoon homo’s en binnen hun eigen scene hebben die veel vrijheid.”
De onderdrukking heeft vooral betrekking op het activisme, wat voor veel Russen, samen met de woorden ‘gay parade’, de grootst denkbare catastrofe is.

Vorig jaar was ik met D., mijn lesbische huisgenoot, haar vriendin en mijn Tataar uit. Omdat er een ‘vrouwenoverschot’ was aan tafel, bood een jongen aan om erbij te komen zitten. 
Nooit zal ik de blik in D.’s ogen vergeten toen ze zei: “Wij hebben geen jongen nodig, dit zijn twee stelletjes. Wij zijn lesbisch. Dit is mijn vriendin”. Voorbereid op alles bleef ze hem recht aankijken tijdens de stilte die viel, haar kaken vijandig op elkaar geklemd.

“Lesbisch?” stamelde de jongen, maar hij herwon zichzelf snel weer: “Oh ja, dat ken ik van filmpjes op het internet,” zei hij met vieze glimmende oogjes. Uit die filmpjes had de jongen geconcludeerd dat een relatie tussen vrouwen wel wat ruimte voor een man overliet. De ontmoeting eindigde niet op vriendelijke noot, maar er vielen geen gewonden, ondanks dat het daar na wat stemverheffingen wel op begon te lijken.

Afgelopen 9 mei (tijdens de viering van een WOII overwinning) kreeg ik de uitnodiging om de avond af te sluiten op een klassnoj, een (te gek) besloten dakterras.

Maite, zoals je uit ervaring weet kunnen dakterrassen gevaarlijk romantisch zijn. De ondergaande zon, vers-fruit-cocktails en een trompettist zorgden ervoor dat dit dakterras een bij uitstek sexy toneel werd. Totaal onverwacht, maar niet tegen mijn zin, zoende vriendinnetje E. mij ineens, terwijl wij aan de bar, omringd door mensen, stonden te wachten.

Geroep steeg op om ons heen, we negeerden het. 

S., een Russische schoonheid die ons mee had genomen naar het feestje, gaf een goedkeurende knik. “Molodjets,” zei ze. “Goedzo. Ik heb ook een vriendin, al drie jaar. We wonen samen, maar het is geheim.” 
Blijkbaar moet je fysiek tonen dat je oké bent met ‘niet-traditionele’ uitingen van seksualiteit, voordat iemand je zulke informatie toevertrouwt. Do zvidanya,  Simone

Gorbatsjov begroet Honecker. Foto: Joseph Proepper.

Post uit Moskou 3

“Geloof”

Brieven van en naar een flat naast de derde ringweg van Moskou. Maite en Simone schrijven elkaar over van alles en nog wat. Deze week over een Russische kerk. Een bijzonder exemplaar dat zelfs een autowasstraat heeft.

Milaya Maite,

Met een paar slagen op het toetsenbord tikte je achteloos een beerput open. “Of zijn de Russen niet zo religieus?” vroeg je, alsof het antwoord in een maatbekertje past. Hmpf.

De orthodoxe kerk is voor mij een raadsel, maar je weet dat ik net zo weinig van de katholieke, protestantse en andere kerken begrijp. Als ik aan de Russisch-Orthodoxe kerk denk, zie ik altijd die foto van Poetin neus aan neus met de Moskouse Patriarch voor me, die op zijn beurt weer het beeld van twee groene kikkers met ronde kwaakblazen oproept.

Om je er toch wat over te kunnen vertellen ben ik zondag op bezoek gegaan bij de Christus Verlosserkathedraal (a.k.a. de Pussy Riot-kerk). Deze kathedraal/ autowasstraat/ kantine/ conferentiehal/ wasserette/ parkeergarage is ‘s werelds hoogste orthodoxe gebouw. Opportunistische commerciële exploitatie, nog zo’n pijler van de moderne Russische cultuur. Simon Ostrovsky maakte er een filmpje over voor Al Jazeera.

Stalin heeft de oude versie van deze kerk trouwens ooit met priesters en al opgeblazen om er ‘Het Paleis der Sovjets’ neer te zetten; een honderd etages hoge kolos met daarbovenop een honderd meter lange Lenin die filosofisch in de verte wijst. Sinds 2000 staat de kathedraal er weer, met meer marmer en goud dan ooit tevoren. Het gerucht doet de ronde dat de autowasstraat onderde kathedraal heilig water over de auto’s van de Moskouse jetset heen plenst. Ik geloof niet dat het waar is, alhoewel… misschien loopt er elke ochtend wel een priester langs om alle kranen te wijden, het blijft Rusland.

Bij de ingang van de kerk walmt de geur van kaarsvet en wierook je aangenaam tegemoet. De toegang loopt door een metaaldetectiepoortje en langs een beveiliger die de inhoud van je tas controleert. Erg streng zijn ze niet; ik had een laptop en camera bij me (mag niet) en toen de bewaker dit zag keek hij teleurgesteld, maar liet me wel gewoon binnen.

Tijdens de kerkdienst scharrelen er honderden mensen rond, vooral vrouwen (dames mét hoofddoek) maar ook mannen en jonge moeders met kinderen. In een hoek van de kerk kun je op gelijnde briefjes namen invullen, die tegen betaling afgestempeld worden; de priesters bidden dan voor de mensen wiens naam erop staat. Als souvenir heb ik een stapeltje van deze mooie briefjes in mijn tas laten glijden. Ik ben nog aan het overwegen of ik nu weer langs moet gaan om er eentje met mijn eigen naam af te laten stempelen als boetedoening.

Ondanks zijn gewelddadige voorgeschiedenis, was het niet ongezellig bij de Christus de Verlosser. Toen ik naar de kerk liep, riep er een man in het voorbijgaan zomaar: “Mevrouw, u ziet er prachtig uit!”. De Baboesjka’s die het kerkterrein verzorgen, overladen je bij het weggaan ook steevast met voorspoed, geluk en gezondheidswensen. Religie faciliteert deze warme samenkomst voor de mensen hier. In een stad als Moskou, die toch niet bekend staat om de vriendelijkheid van toevallige voorbijgangers, is dat best welkom.

Do zvidanya,
Simone

Post uit Moskou 2

“Sekse-etiquette”

Brieven van en naar een flat naast de derde ringweg van Moskou. Maite en Simone schrijven elkaar over van alles en nog wat. Populair onder Russische vrouwen: het zelfhulpboek Op weg naar het huwelijk.

Milaya Maite,

Ik schrijf je boven een spetterend worstje in het Georgische restaurant in mijn straat. ‘One pound pork butt‘ zit erin, maar ook granaatappelpitjes en verse paprika. Eet smakelijk, alvast. 

Rusland is een mannenland, schreef je. Volgens mij ben ik het daar gedeeltelijk mee eens: mannenwil is wet – als ze niet laveloos in een hoekje liggen. Nou goed, dat zijn natuurlijk clichés, niet te snel denken dat de vrouwen hier zielig zijn, want de meesten weten best hoe ze met deze kerels om moeten gaan. Ik heb al meerdere divorcee’s ontmoet die uit een huwelijk hadden gehaald wat ze nodig achtten (een kind en een inkomen) en die nu jubelend autonoom zijn. De seksen hebben wel zeer sterk een eigen domein. Vandaag bijvoorbeeld, in een boekenwinkel, stonden er twee stellages, één met aanraders voor vrouwen, (o.a.: Op weg naar het huwelijkDe psychologie van de vrouw: zelfanalyse en Vagina) en één voor de man (o.a. Over robuustheidDe psychologie van het risico en Stoppen met roken.) Dit onderscheid is hier vrijwel onomstreden. Er geldt ook een verdomd merkwaardige etiquette tussen de seksen. Deze week had ik een eerste date waarbij er binnen een uur al erg veel nadruk kwam te liggen op de unieke kwaliteiten van de baarmoeder. 

”Het is maar goed dat je niet rookt, je weet wel, voor het kinderen krijgen”, zei de Rus met Siberisch blauwe ogen. Hij was kunstzinnig onderlegd en we waren vlak ervoor nog Boelgakov aan het bespreken, maar dat was blijkbaar bijzaak. 

”Hou je van kinderen?” vroeg hij aanmoedigend. Toen de serveerster de bestelling op kwam nemen stokte onze discussie bij de enerverende uitspraak: “De huidige tendens is dat vrouwen meer werk op zich nemen dan mannen, dat is tegennatuurlijk en moet teruggedraaid worden.” Ik had mijn interesse al veel eerder verloren. Eigenlijk voel ik me door seksistische uitspraken nooit persoonlijk aangesproken. Soms vraag ik door tot ik een kronkel in zijn redenatie kan ontdekken en confronteer hem ermee. In mijn mindere momenten dreig ik zo’n vent wel eens fysiek leed te berokkenen (“Dat neem je terug, anders pak ik je”, heb ik letterlijk eens tegen een politieagent gezegd, hij bood daarop zijn excuses aan), vaker lach ik het weg en ga ik verder met mijn eigen leven. 
Misschien ben ik te passief, tijdens deze date ging ik eerst in discussie over zijn ideeën, maar liet ik de bonje ook zo weer varen voor een ander onderwerp. Ik ben geen hysterica die wijn in iemands gezicht zal gooien en direct de benen te neemt. Ik heb mijn date wel voor het eten en mijn taxi naar huis laten betalen. Daar had ik ineens geen moeite meer mee. Do zvidaniya, Simone

Russische werklui in (m/v) een café. Foto: Henri Cartier-Bresson.