Re: Rosanne Hertzberger in Zomergasten

Deze tekst verscheen eerder op Hardhoofd.com


Je hoeft niet altijd gelijk te hebben om briljant te zijn, zo ziet Rosanne Hertzberger het. Genialiteit zit hem erin hoe baanbrekend de ideeën zijn die wel kloppen.

De eerste aflevering van Zomergasten met microbioloog, schrijver en columnist Rosanne Hertzberger begint een beetje ongemakkelijk. Sommige symptomen zijn groeipijntjes: voor het programma goed en wel begon verspreekt Hertzberger zich al met ‘inboorlingen’ en na het eerste fragment, de bizonjacht uit Dances with Wolves, stormt ze in zevenmijlslaarzen naar de verwoestende essentie van de mens (natuur is niet zachtaardig, menselijke natuur is in essentie destructief, techniek staat ons toe dat minder te zijn; tijd: twee minuten). Die snelheid, daar groeide ze gedurende de uitzending overheen, of ik kwam er als toeschouwer langzaam in.

Wat bleef is dat zowel presentator Janine Abbring als Hertzberger herhaaldelijk hun vraag of verhaal niet tot het einde afmaakten, waardoor het gesprek regelmatig chaotisch was en de luisteraar vooral op goed vertrouwen moet aannemen dat beiden het inderdaad over hetzelfde hadden. Iets wat niet ondersteund werd door een uitwisseling als:
H: ‘Bij evolutie denken we aan een boom, Darwin heeft die boom al gepositioneerd…’.
Onderbreking door Abbring: ‘Ik denk bij de evolutie altijd aan beestjes.’

‘De wetenschap biedt geen antwoorden’

Ik ben vaak enthousiast over Rosanne Hertzberger. Over haar manier van redeneren, of specifieker: over haar wetenschappelijk gefundeerde e-nummerkruistocht en bravoure. Het is aanstekelijk. Hertzberger is niet iemand die naar andermans verwachtingen praat, en het is ook niet iemand met wie je het zonder meer eens kunt zijn. Maar ze bruist van de kennis, en alleen al dat maakt haar een belangrijke stem in het Nederlands opinieveld, zoals het afgelopen halfjaar is gebleken.

Zelfs na drie uur Zomergasten blijkt ze lastig te duiden. Hertzberger maakt haar afweging per kwestie. Abbring confronteert haar ermee dat het liberale zelfbeschikkingsargument tegen verplichte vaccinatie ook van toepassing kan zijn op de ‘voltooid leven’-wet. Liberaal bezien zouden beide uitdrukkingen van vrije keuze moeten zijn. Hertzberger gaat niet akkoord, de ‘voltooid leven’-wet zou een oprichting van doodseskaders zijn.

‘Hebben machtige ontdekkingen altijd een schaduwzijde? De vraag wordt niet gesteld.’

‘De wetenschap biedt geen antwoorden,’ zegt ze op een bepaald moment. Deze uitspraak lijkt nog het beste haar wereldbeeld samen te vatten. Ze is een wetenschapper. Ze biedt geen antwoorden, benoemt alleen en toont aan. Ze straalt een onwrikbaar vertrouwen uit in deze methode. Lachend aanvaardt ze de dualiteit. Zo heeft kunstmest volgens haar meerdere gezichten: het heeft ervoor gezorgd dat honger op veel plekken is uitgeroeid én het is enorm vervuilend en bedacht door een oorlogsmisdadiger. Grote farmaceuten ‘halen shitgeintjes uit,’ ‘maar ze kunnen wel heel goed vaccins maken.’ Ze schopt tegen heilige huisjes, niet om ze plat te trappen, maar vooral om te laten zien dat er naast een voorkant ook nog een achter- en zijkant aan zit. Zijn goed en kwaad volgens Hertzberger inherent aan elkaar? Of bestaat zo’n dergelijk onderscheid zelfs niet en hebben machtige ontdekkingen altijd een schaduwzijde? De vraag wordt niet gesteld.

Uiteindelijk brengt haar biologische redenatie ons bij compassierijke standpunten: er bestaan geen ‘nobele wilden’, want mensen zijn allemaal hetzelfde: een sprinkhanenplaag voor hun omgeving. Rundvlees drukt wetenschappelijk aantoonbaar zwaar op onze omgeving. Het zijn zowel geruststellende als ongerust stellende feiten. Maar ik geloof in Hertzbergers technologie, de techniek als poging tot een oplossing voor ons inherente geweld.

‘Nieuwsgierig zijn, uitproberen, op je bek gaan. Hertzbergers genialiteit in één zin.’

Na het fragment uit de documentaire How Lynn Margulis rocked the boat and started a scientific revolution komt er een andere ambivalentie in Hertzberger naar voren. Volgens haar is de grensoverschrijdende Margulis knettergek én briljant. Nieuwsgierig zijn, uitproberen, op je bek gaan. Hertzbergers genialiteit in één zin. Maar wacht eens: als dit de vakgenoten zijn die de microbioloog op een voetstuk plaatst, waarom houdt Hertzberger zich dan voornamelijk bezig met het reactief uitleggen van eigenlijk bekende wetenschappelijke feiten? Dat e-nummers voortkomen uit onderzoek wisten we al, en dat Paleo- en Green Happiness-diëten (samen in één fragment) voor de gezondheid noch ons milieu beneficiair zijn is ook niks nieuws. Dit zijn niet de bezigheden van een microbiologe, maar van een columnist. Hertzberger zegt zelf dat ze meer wil zijn dan een schrijver. ‘Als columnist heb je het altijd over de daden van anderen. Secundair. Je bent voetbalcommentator.’

De komende tijd gaat ze het laboratorium weer in, dit keer ‘voor de lol’. Het verschil met vroeger is dat ze los van het instituut zal werken, en het verschil met anderen is dat zij haar proces online inzichtelijk maakt. ‘Voor de lol’ betekent volgens haar dat ze nu niet meer de beste hoeft te zijn. Na drie uur praten over gekke genieën geloof ik daar eigenlijk niets van. Vooral niet wanneer ze zegt dat Louis Pasteur zijn microbiologie ‘er ook naast’ deed.

Maar het opiniërende zit in haar, alleen al in de manier waarop Hertzberger praat. Ze begint, houdt halt en begint opnieuw met: ‘Kijk,’ alsof ze zojuist is tegengesproken. ‘Kijk het zit zo.’ Heeft ze deze tegenspraak nodig om bij haar punt te komen? De positie zit haar in elk geval als gegoten, met haar biologische opleiding heeft ze een sterkte basis om vanuit te reageren. Ik gun het Nederlandse debat meer deelnemers zoals zij.

Beeld: Still uit Zomergasten via Tzum.nl

Advertisements

Maak van Poetin geen meester-tacticus

Deze opinie verscheen eerder op Hardhoofd.com

De wereld staat in brand en dat mag niet onbeschreven blijven. NRC omschreef Poetin afgelopen week als meester-tacticus. Simone Peek denkt dat er weleens betere inzichten in de strategieën van pestkop Poetin geformuleerd zijn.

Twee dagen voor het nieuwjaarsvuurwerk besloot Barack Obama 35 Russische diplomaten uit te wijzen vanwege hun vermeende inmenging in de Amerikaanse presidentsverkiezingen. Vladimir Poetin negeerde vervolgens het oog-om-oog-advies van de Russische Minister van Buitenlandse Zaken en kondigde aan geen diplomaten uit te wijzen.

NRC-correspondent Stefan Derix deed verslag van deze ‘zoveelste meesterzet van meester-tacticus Poetin’. Een formulering die de eindredacteur dankbaar overnam als titel. Het is een opmerkelijke uitspraak, vooral gezien de laatste alinea van dit artikel over pesterijen en intimidatie van het Amerikaanse ambassadepersoneel. Een geweldige schaakspeler: de man die geen zet doet maar een kwartier onder de tafel tegen je schenen schopt. Nee, als je het echt als een tactisch spel wil zien, dan moet je inzien dat de zet nog gaat komen. Of als de geslaagde politieke hack inderdaad Poetins werk was: zijn zet is net geweest.

Oppervlakkig en vanuit Rusland bezien is het natuurlijk een prachtreactie: de (scheidende) Amerikaanse president geeft Rusland een reprimande voor het ondermijnen van hun democratische proces en Poetin reageert met een uitnodiging voor onder de kerstboom van het Kremlin. Maar wie gelooft dat dat meesterlijk is, laat zich verleiden tot een poetinesk wereldbeeld. Dat het Russische beleid de afgelopen drie jaar op vele fronten steeds agressiever is geworden en daarmee ontwrichtend resultaat heeft geboekt lijkt me namelijk niet zo prijzenswaardig. Hoe graag Poetin ook wil dat we dat geloven.

De afgelopen jaren zijn er betere inzichten in Poetins strategieën geformuleerd. Zo doet Poetins verleden als KGB-agent vermoeden dat hij zich thuis voelt in de wereld van geheime operaties, zonder daarvoor publieke verantwoording af te hoeven leggen. En zie je echo’s van zijn training als judoka in zijn aanpak: hij wacht, duwt, trekt en cirkelt rond tot hij een kans krijgt om de kracht van zijn tegenstander tegen hem te gebruiken. Maar de meest inzichtelijke beschrijving komt van de Russische journalisten Masha Gessen en Michael Zygar. Na vele interviews met mensen binnen of dichtbij de Russische overheid omschrijven zij de Russische leider als straatvechter of schoolpestkop.

Kijk nog eens naar wat er gebeurd is: de Amerikaanse president beticht een ander land van hackpraktijken die het democratische proces verstoord zouden kunnen hebben en onderneemt daartegen stappen. Poetin onderneemt daarop niets.

Derix schrijft ‘Poetin had net zo goed kunnen zeggen: beste vertrekkende president Obama, u doet er niet meer toe.’ Maar Poetin zegt dat niet alleen precies, hij heeft deels gelijk. Dat hij dat inziet is niet meesterlijk, dan heb je hem als commentator onderschat. Poetin weet gewoonweg wat er aan de hand is. En dat is dat de man die dit typt, zeer binnenkort president gaat worden:

trumpHet is het populaire jongetje Obama dat zijn lievelingsspeelgoed uit een vijver probeert te vissen terwijl het probleemjongetje Rusland glimlachend toekijkt. Misschien heeft hij geholpen het erin te gooien, misschien niet, maar het ligt er en hij geniet ervan. Daar is allemaal weinig tactisch aan.

Afbeelding via Flickr en Twitter

Nobelprijs voor Svetlana Alexijevitsj

Afgelopen week won Svetlana Aleksijevitsj de 112e Nobelprijs voor de Literatuur. Deskundigen waren niet verbaasd, de Wit-Russische journaliste stond al bovenaan de favorietenlijstjes.

Geen verrassing dus, wat best wel verrassend is als je bedenkt dat er maar weinig mensen bekend zullen zijn met Aleksijevitsj. Op de website van de Nobelprijs beantwoorde slechts 12% van de bezoekers de vraag of zij ooit iets van Aleksijevitsj hadden gelezen positief.

Veel van haar werk is al tijden slecht tot niet te verkrijgen. Op het moment van schrijven kost de goedkoopste (en enige van twee beschikbare) kopie van War’s Unwomanly Face (1988), het eerste deel van de vijfdelige serie Stemmen uit Utopia, op Amazone.com 2,200 dollar.

Aleksijevitsj heeft voor Stemmen uit Utopia duizenden mensen geïnterviewd om juist díe verhalen uit het Sovjetverleden die de overheid probeerde weg te poetsen, te vertellen. Tsjernobyl, Sovjet-soldaten in Afghanistan, en de (Tweede Wereld-)oorlog uit het perspectief van vrouwen en kinderen.

Het enige werk dat naar het Nederlands vertaald is, is het laatste deel Het einde van de Rode mens. Een epos van zelfmoordenaars – Mensen die in zozeer één waren geworden met de wereld en de waarden van de Sovjetunie, dat zij tot zelfdoding besloten toen het rijk ineenstortte. Als een leger dat ten onder ging, iedere soldaat in eenzaamheid.

De verhalen die Aleksijevitsj’ optekende ben ik de afgelopen jaren telkens in andere context tegen gekomen. De werken zijn zo secuur ontdaan van de stem van de interviewer, dat ik vaak niet eens door dat ik een verhaal van Aleksijevitsj’ hand las, tot ik het terug probeerde te vinden.

Als kenner zal ik mezelf niet kwalificeren – ondanks mijn obsessie met alles historisch en Russisch, heb ik slechts met een klein deel van Aleksijevitsj oeuvre kennis gemaakt.

Maar zelfs voor deskundigen geldt: over Aleksijevitsj’ werk kun je eigenlijk niet schrijven zonder tekort te schieten. De schoonheid en overtuiging van haar boeken zit hem in de omvang van het koor aan stemmen die ze aan het woord laat, en de constructie waarmee zij de verhalen “als een Griekse tragedie” heeft gearrangeerd.

Schrijnende hartenkreten, waarin de dood tegen een dagelijkse achtergrond ten tonele treed. “Sasja is levend verbrand in zijn moestuin, tussen de komkommers,” zo begint Marina, Sasja’s buurvrouw, haar herinnering.

Volgens de Zweedse Academie heeft Aleksijevitsj met haar werk een nieuw literair genre gedefinieerd. De Wit-Russische heeft verhalen scherp uit urenlange interviews gekristalliseerd, en deze kristallen tot een kostbare ketting geregen.

Toch is Het einde van de Rode mens ook Oral History, en zoals een historicus weet, is informatie altijd gekleurd door de bron die de kennis doorgeeft. Het bijzondere aan Aleksijevitsj’ arrangement als bron is dat hoewel de dood ieder kristal gevormd heeft, hij fonkelt van het leven.

“Ik heb een icoontje in een hoek en een hondje om mee te praten. Een kooltje alleen blijft ‘snachts niet gloeien, zeggen ze, maar ik hou vol.”

Terwijl de ene na de andere Rode soldaat valt, komen hun verhalen bij de lezer via iemand die wél vast bleef houden aan het leven. Ondanks dat het ook hún rijk was dat ten onder ging, en zij de duistere belevingswereld kennen hielden zij vast aan de schoonheid.

“Als je leeft, ook al ben je niet gelukkig, kun je door de frisse lucht lopen, in je tuintje.”

Een vensterbank vol bloemen, door je kleding heen natregenen, de herinnering aan iedereen die er eerst nog was, dat zijn de dingen die de sprekers aan deze zijde hielden.

Over Alexievich kun je eigenlijk niet schrijven zonder haar werk tekort te doen, dus laat ik het hierbij, nadat ik nog een bescheiden wens uitspreek:

Kan het winnen van de Nobelprijs voor de Literatuur er alsjeblieft voor zorgen dat de Encyclopedie van de Rode mens binnenkort met bijpassende harde kaften gebonden in de winkel ligt?

 

 

Re: Angst en Kurt Westergaard

In Re: kijkt hard//hoofd van een afstandje naar actuele zaken. Simone bezocht het streng beveiligde Festival voor het Vrije Woord.

Onder een waterval van applaus kwam hij De Balie binnenschuifelen: Kurt Westergaard. Applaus voor de tachtigjarige cartoonist die zijn leven niet heeft overgegeven aan angst. En een beetje voor het publiek zelf, omdat wij hem durfden te ontvangen. Nog voor het enthousiaste handengeklap zou overgaan in een toejuiching viel de zaal weer stil. We zaten hier immers om zijn recht op vrijheid te onderstrepen, niet voor de inhoud van zijn cartoons.

Westergaard, zo teer als een papieren tekening, zag er strijdbaar uit in zijn felrode broek en baret met lovertjes.

‘Are we [cartoonists] sensitive seismographs, detecting the tremors of coming political earthquakes and the catastrophes that follow in their wake? Are we sometimes throwing cartoon roadside bombs, not to derail but to warn and bring politics back on the right track?’ begon Westergaard zijn persvrijheidslezing.

‘Maar je gaat wel?’ vroeg mijn vader toen hij las wie de mystery guest zou zijn. De Balie had gasten de mogelijkheid geboden om hun geld terug te vragen als zij niet instemden met de verhoogde veiligheidsrisico’s. (Niemand heeft hier overigens gebruik van gemaakt).

‘Mijn zus zei dat ze hier voor geen goud bij zou willen zijn,’ bekende iemand op de rij voor mij tegen de Amsterdamse burgemeester Van der Laan.
‘Dat begrijp ik wel,’ antwoordde de burgervader vriendelijk en hij rechtte zijn rug. Hij erkende de spanning en aanvaardde hem.

Angst is een belangrijk – zij het niet altijd even betrouwbaar – beschermingsmechanisme. Angst zorgt ervoor dat iemand wegrent, of in de aanval gaat. En soms kan angst ervoor zorgen dat je bevriest. Dit is het meest gevaarlijke gevolg voor een samenleving, zonder beweging val je stil.

Het klinkt misschien paradoxaal: strenge beveiliging om vrij te zijn. Maar toen ik de agent die voor De Balie mijn paspoort controleerde in zijn ogen keek, wist ik dat hij dit deed voor ons beider veiligheid. In Moskou bezocht ik eens een straatprotest, waar naar verhouding minstens tien keer zo veel politie aanwezig was. Als je zo’n Russische agent in de ogen kijkt, weet je dat hij jou, om te beginnen, het liefst in zijn ME-bus had gegooid. Een heel ander gevoel, verzeker ik je.

Maar we moeten wel weten wat we beveiligen, wat wij willen beschermen. Dat is een lastig inzicht, waar eigenlijk pas ruimte voor is wanneer de veiligheid volledig gewaarborgd is, óf wanneer deze ernstig in het gedrang komt. Daartussen is er de afwas, je dochter uit school halen, weer proberen te stoppen met roken en liefdesverdriet. Leven.

Sinds februari lees ik vaak: ‘Waarom waren jullie allemaal ineens Charlie Hebdo, maar tekenen jullie zelf Mohammed niet?’ Men make tussen het piepers snijden door een ommetje over de Vijzelgracht naar de Dam en is ineens een goed burger met morele overtuiging? Mijn antwoord: Ja. De jesuischarlie-manifestaties waren een uiting van ieders overtuiging: normaal kunnen leven, plus en masse de straat op wanneer wij dat nodig achten.

Er is geen behoefte aan een wildgroei van activisme voor allerhande extreme meningen enkel omwille van het aantonen van vrijheid. Toch is het belangrijk dat wij, als een seismograaf, onze samenleving blijven meten. Bedenk (terwijl je in je double mocha hazelnut latte roert) waar je staat en verdedig dat in de toekomst. De overtuiging dat kunstenaars en democratisch verkozen politici heelhuids hun werk moeten kunnen doen, ligt daar hopelijk achter.

Anger is a good, active feeling when you are being threatened,’ sprak Westergaard. Maak je boos. Protesteer als er een inbreuk op jouw markering wordt gedaan. Zelfs als je vorige keer te druk was om boos te zijn, of niet zeker weet of je de volgende keer wel kan i.v.m. voetbaltraining. Je hoeft niet permanent op de grens van jouw denkwijze te staan om te weten waar hij ligt.

Dat is onze luxueuze vrijheid: niet gedwongen worden om doorlopend op het scherpst van de snede je eigen gedachten te verdedigen. Saai hè? Best wel, maar bedenk maar hoe het leven zonder die vrijheid zou zijn.

Afbeelding: still uit Westergaards lezing via De Balie TV

Post uit Moskou 8

“Kiev”
Milaya Maite,

Wat mis ik je nu. Dat weet je wel, toch?

Terug in Kiev, wat een plek. Tegen de alleenheid heb ik een kamer in een hostel gehuurd. Vanwege de crisis in Oekraïne zit het hostel vol met jonge mensen uit Donetsk, Luhansk, Sevastopol en Odessa. Er woont zelfs een jongen die het niet meer trok in Rusland en nu probeert zijn leven hier op te bouwen.

Ken je dat verhaal over Boelgakov? Dat hij met zijn vrouw een kamer in een Kommunalka had, en dat zijn huisgenoten de inspiratie voor zijn demonen in De meester en Margarita vormden?

Hier spookt het ook. In de keuken klinkt een kakofonie van bevlogen idealen en gedachtegoed, iedereen is grenzeloos politiek geëngageerd en onvermoeibaar in discussie.

Illustratie uit De meester en Margarita

In Kiev, waar politiek verdomd veel uitmaakt en geacht wordt nog een hele hoop te veranderen, houdt iedereen er een mening op na. Van hard-linerlibertarianen, nostalgische socialisten, pure nationalisten tot neofascisten; noem het maar op en ik ben het hier tegen gekomen.

Gisteren in de lift vroeg een jongen nonchalant: ‘Hè, weet jij niet waar ik een kopietje van Mein Kampf op kan pikken?’

Negentien jaar was ‘ie, misschien stond ie stoer te doen. Maar in de barre situatie dat mensen toevlucht zoeken in allesomvattende ideologieën, terwijl zich hier geen recente denker meer aan waagt, lijken sommige mensen alles aan te grijpen.

Ondertussen staat het land op zijn kop.

Beelden van de oorlog die geen oorlog heet, kleuren ieder televisiescherm. Tanks, bataljons, explosies… De beelden, verhalen en herinneringen voeden het allemaal, want in Kiev is het eigenlijk best rustig nu.

De eigenaresse van het hostel ziet alles met lede ogen aan. Ze is Russische, vijfendertig jaar geleden getrouwd met een Oekraïner en geboren in Novosibirsk. Trots toont ze me foto’s van het operahuis en de nieuwe brug die Poetin eigenhandig is komen openen.

‘Zo’n mooie stad,’ keuvelt ze, terwijl ze met haar mollige vingertjes door de Google-zoekresultaten scrolt.

Wanneer ik haar vertel dat ik volgende week naar Moskou ga, kijkt ze vrolijk. Ze heeft genoeg kritiek op Rusland gehoord de afgelopen tijd en is blij dat ik heen en weer reis alsof er niets aan de hand is.

‘Vertel ze daar dat we in Oekraïne allemaal zo slecht nog niet zijn,’ zegt ze opgewekt.
‘Ik hoop voor iedereen hier dat het ooit weer goed komt tussen Rusland en Oekraïne,’ antwoord ik onhandig.
‘Oh Simone,’ haar gezicht betrekt direct weer.
‘Dat gaat nog heel, heel lang duren.’

Do zvidanya,
Simone

 

Winter Is Coming For The Half-Million IDPs Who Fled Fighting In Eastern Ukraine

First appeared at The Interpreter.com…

Maksim, who is a year and a half old, is from Donetsk, photographed in Kiev with his new toy. |Photo: Simone Peek
Maksim, who is a year and a half old, is from Donetsk, photographed in Kiev with his new toy. |Photo: Simone Peek

Kiev — During a midnight cab-ride, the taxi driver tells me: “No, no, I’m not a Kievyanin. ’I’m from Donetsk. Back home I was a manager, small company, we sold and installed air-conditioning.”

The chauffeur tells a sad tale that is heard all over Kiev currently, but he is one of the lucky ones. Despite the evident fortune that he got out of Donetsk unharmed and together with his family, he has work. Which, despite having to scale down his career path, is something many IDPs are hoping for.

There are at least 450,000 internally displaced people, or IDPs in Ukraine according to the latest data published by the United Nations High Commissioner for Refugees (UNHCR )on November 6.

According to that report, more than ninety-five percent of these people have fled from eastern Ukraine as a result of the ongoing violence there; the remainder, 19,157 persons, came from Crimea after it was annexed by Russia.

At a parking lot nearby the charming Andreyevskiy Descent in Kiev’s old town, several aid huts that are provisionally assembled on the concrete. ‘The Volunteer Hundred’ (Volonterskaya Sotnya), who house this lot, are a local charity organization.

Founded from several volunteers unions by Arseniy Finberg, Alyona Druzhinina and Marina Lisak, the Sotnya support internally displaced people (IDP’s) in Kiev with clothing, toys, weekly food packages and other essentials during their first 45 days in the city, they lend aid to hundreds of people on a daily basis.

“We help 100-200 people a day, and around 900 receive food packages on Saturdays,” Finberg said. The Volunteer Hundred is just one of the many organizations that have come to aid and Kievans have donated enough garments to supply even regional aid associations.

Somewhere around 39,000 people have registered for help in Kiev, and another 14,000 are fanned out in Kiev’s region. But the numbers are far from resembling the true amount of displaced, because not everybody chooses to register.

Those who don’t register are not entitled to any humanitarian or governmental aid, including compensation for damaged property back home, and support from organisations like Sotnya. They are also invisible in the official data, leading unofficial guessed to rise as high as one million IDPs.

Some, who can afford it, stay in the many hostels and hotels that Kiev houses, originally intended for tourists, now filled to the brim with Ukrainians.

“Register? What’s the use?” Maria, a young lawyer from Donetsk said, inhaling her cigarette. Maria stays in a hostel dorm. “The government won’t do anything, they can’t do anything, they don’t have any money, it’s is all being used for other purposes.”

After enduring a two day shelling in a basement with her family, she decided to leave.

“The people of Donetsk were just sitting around, like this,” Maria crossed her arms, “we couldn’t do anything. When it was over I decided there was no point in staying.”

Maria’s parents and grandmother are still in Donetsk, they are unable to travel due to health problems and the pets they have to take care of. Again, a common story for those left behind.

It is not only the cynical and economically independent that shy away from registering. Some, marked by the intimidation they have endured back home, fear registering might do them harm:

“It’s dangerous to register,” Natalia Alexandrevna, a doctor from Donetsk exclaimed. “I don’t know how they get the information, but if you register, your information is being passed on to the DNR. [‘Donetsk People’s Republic’].”

Although her claim is unverified, according to Ms. Alexandrevna this information-leak can lead to threats of bodily harm against the registered or their family members and their property.

Oldrich Andrysek, UNHCR Regional Representative in Belarus, Moldova and Ukraine, partially validates Natalia’s concern.

“People are realistically threatened that if they officially leave, their apartments will be nationalized,” he said.

It remains a question whether this situation can be ascribed to a lack of confidentiality of the registrants’ personal information, like Ms. Alexandrevna said, or whether the absence of rule-of-law in the rebel-held territories simple leads to ownership violations – a plausible explanation.

Unfortunately, no government official was available for commentary.

Meanwhile, for the government, the IDP’s are only one of the many acute problems that unexpectedly face Ukraine, but legislation has finally been drafted to aptly assist the displaced:

On October 15, a centralized registration system was launched (before this IDP’s were only locally recorded), and on October 20 the law “On ensuring of rights and freedoms of internally displaced persons,” was passed, defining what exactly an IDP is.

However, it will still take a while before the legislations will be fully operative.

And time is running out when it comes to helping the displaced, because even though the weather has been remarkably cooperative this fall, the ferocious Ukrainian winter is readily approaching.

AP reports of inhumane living conditions for the people who are left behind in Donetsk, about a half of the original population, without heating, running water or even a roof above their heads.

Rebel control thus far has made it impossible to get the necessary security clearance that international aid organizations require to access a region, and government subsidies, like pensions, in many cases haven’t been paid in months.

On October 20, Russian Human Rights Ombudsman Ella Pamfilova told Rossiskaya Gazetashe expected a new wave of refugees from Ukraine in Russia, because, she said, “winter is coming.” Mr. Andrysek shares this concern.

“Yes I also think there will be an upcoming increase [of IDP’s],” Andrysek said. “People will move. When situations become unbearable, people move.”

The increase in military activity due to new arms supplies on the separatists’ side these past weeks do not bode well either.

Kiev, though, as well as Kharkiv, are packed to full capacity, bringing even the people that have registered and found housing to desperation.

“Who needs me here?” Sasha, a twenty-six-year-old sports trainer from Lugansk, asked. “I can’t practice my profession here. I don’t have my diplomas. What can I do? Who needs me here?”

Sasha valiantly added that he would simply go back to Lugansk if circumstances did not improve in a month, to lament only a moment after:

“What would I do there? There are no prospects there, and winter is coming.”

Post uit Moskou 7

“New York”

Tijdelijk zonder visum voor het land van de eindeloze toendra’s schrijf ik je nu vanaf de andere kant van de oceaan. Als de gele Pegman van Google Street View voel ik me uit huis gegraaid, de globe rondgeslingerd en op een willekeurige straathoek in Manhattan neergeplempt.

Ik had gedacht dat New York en Moskou qua sfeer op elkaar zouden lijken, vanwege de hoogten en het aantal inwoners, maar het is hier een stuk voller, luider en iedereen bemoeit zich met elkaar. In Amerika ben je eigenlijk constant in gesprek: als je het stoplicht of de metro net wel of net niet haalt, vrolijk koffie bestelt, of wanneer je nieuwe schoenen aan hebt, overal wordt wat van gezegd.

In Moskou kom je dat soort bemoeizucht toch minder tegen. Eens schoot een buschauffeur vuur uit zijn ogen en weigerde bijna om mij een kaartje te verkopen omdat ik instapte met een monter “Goedendag!” – dat was het voor hem blijkbaar niet. Nederlandse straatgewoonten zitten volgens mij veilig tussen deze uitersten in.

Maite, het arrogante New York stoot mij soms best wel tegen de borst. Op een vrije dag ging ik naar Brighton BeachLittle Russia, en ik voelde me thuis. Russisch gekeuvel op straat en opportunistische commerciële exploitatie: een steeg met een bergje vodden op de grond had het bordje ‘Flea Market’ gekregen. In restaurant Tatiana stond een schmutzige pinautomaat waar je voor 5$ toeslag je cash uit kon trekken (Tatiana volgens een Yelp-recensie: “Two words: Russian Opulence”).

Wandelend over de boulevard zag ik enkele Oekraïense vlaggen hangen. InLittle Russia wonen niet zozeer Russische Russen, als wel inwoners van voormalige Sovjetstaten die de Russische taal met elkaar gemeen hebben (decore gemeenschap, zo heb ik me laten vertellen, zijn Oekraïense Joden).

Brighton Beach, circa 1959 – Foto: Helmut Newton.

Bij de Ice Cream Truck riep de ijscoman mij toe: “Heay Krasavitsa!” (schoonheid!)
Met een ijsje slenterde ik over het strand. Deze Soviet emigrés hebben maar een mooi plekje voor zichzelf weten te bemachtigen aan de Atlantische oceaan. En ze weten het zich verdomd eigen te maken – ik vond zelfs een één roebel muntje op het strand.

Ach, misschien was dat slechts mijn romantische geest die het daar ophemelde: onder een rood fleecedekentje gezeten zei de lifeguard dat hij het zeewater alleen bij strikte noodzaak zou betreden. Iets met “riool- of fabrieksafval” een stukje stroomopwaarts.

Vanaf zijn hoge uitkijk stoel knoopte de New Yorkse Oekraïner een praatje met me aan. “Jij bent Russisch?” stelde de strandwacht vragend vast.
“Nee,” zei ik.
“Wat dan?”
“Ik ben in Nederland geboren.”
Hij knikte begrijpend. Een Rus die in Nederland is geboren, net als hij, een Oekraïner in de VS.

Do Zvidanya,
Simone

Een Fransman

In het hostel op een slaapzaal met tien bedden sliep een Franse man van zestig. Hij liep met gebochelde rug. Op zijn hoofd lag wat dun, verloren haar en om zijn uitgezakte lichaam hing tot aan kleurloos verwassen kleding.
In Kiev was hij op zoek naar een vrouw. Tot dat doel schreef hij dagelijks briefjes: ‘Mijn naam is zus-en-zo, wil je met mij?’ die hij rond de stad bij Oekraïense vrouwen in de hand drukte.
Zojuist voltooide hij zijn tweede bezoek aan de stad. Op een briefje schreef hij aan mij in sierlijk handschrift:
“Please call a taxi, from L’va Tolstovo number 4,
to Borispol Aeroport. Ask for price in UAN.”
Vermoedelijk dacht hij dat ik de receptioniste was en ik corrigeerde hem niet. Het is een kleine moeite om een taxi te bellen.
“Over 4 minuten, voor 127 Hryvna,” vertelde ik hem in het Frans, met mijn hand op de ontvanger. Dankbaar knikte hij ja, en zei ‘dat is niet veel,’ en ‘zeg maar dat ik hem nu nodig heb.’ Engels sprak hij niet, Russisch of Oekraïens allerminst.
De telefoniste van de taxicentrale kreeg haar “Ok” en de man haastte zich onmiddellijk met zijn schoudertas en een klein zwartleren koffertje naar het stenen trappenhuis.
Ik liep naar de deur en riep, “Monsieur!”
Zijn gebogen rug draaide zich tot zijn gezicht verscheen.
“Monsieur, het wordt een zwarte Dacia… De taxi, is een zwarte Dacia Logan.”
“Dacia…Logan…Dacia…Logan” mompelde de man, glimlachte ‘merci’ en keerde zich weer van mij af, richting de lift.
Terug in de keuken waar hij mij had aangesproken keek ik uit het raam. In het witte herfstlicht, achter een haveloos metalen hekje op een bevroren stoep, stond de Fransman. Onderweg naar het huis waar hij in eerste instantie had bedacht om zijn eenzaamheid in Oekraïne te gaan bevechten. Wederom alleen.
Met zijn koffertje.

Post uit Moskou 6

“Spionnen” 

Brieven van en naar een flat naast de derde ringweg van Moskou. Maite en Simone schrijven elkaar over van alles en nog wat. “Alsof de homofobe Russen nu denken: goh, in Amsterdam staan mensen met vlaggetjes te zwaaien, eigenlijk zijn gays best oké.”

Milaya Maite,

Afgelopen brief vertelde ik je dat Russen mij er af en toe van verdenken een spion te zijn en dat moet ik nog even toelichten.
Het klinkt wat James Bond misschien, maar de wereld van spionnen, informanten en geheim agenten voelt hier zo ver weg nog niet.

Spionne Anne Chapman (Kushenko) werd in 2010 de VS uitgegooid en in Moskou met wapen op de catwalk gezet, nu is ze tv-presentatrice. En vorig jaar werd de Amerikaanse Ryan C. Fogle met pruikjes en valse paspoortenaan de schandpaal genageld.

De eerste keer dat ik zelf verdacht werd was begin april, toen ik langs een bijeenkomst van de partij van Eduard Limonov liep. Ik was toevallig in de buurt om een croissant te kopen toen ik de dranghekken, het rokende benzine-aggregaat en metaaldetectors zag staan: karakteristiek voor een Russische demonstratie, natuurlijk gedecoreerd met verveeld kijkende politieagenten.

Het was nog koud, maar de lage zon brandde heerlijk fel op mijn wangen. Buiten de dranghekken stonden een modieus gekleed meisje en een jongen van rond de twintig jaar. Ik sprak ze in het Engels aan:”Zijn jullie hier voor de demonstratie? Wat gaat er gebeuren?”
Het stel was vriendelijk en ze deden hun best om me uit te leggen wat er aan de hand was, maar het kostte ze moeite om de juiste Engelse woorden te vinden. Om behulpzaam te zijn ging ik over op het Russisch. De jongen kneep zijn ogen tot spleetjes.
“Je spreekt gewoon Russisch?” constateerde hij berekenend. “En vrijwel accentloos?”

Hij werkte zich langzaam uit het gesprek, ging enkele meters verderop staan maar lachte en knikte wel als ik naar hem keek.
“C. dacht dat je een geheim agent was,” zei het meisje later. De jongen had wat politiek engagement op zijn kerfstok en was nu op zijn hoede.

Dit was me sinds mijn eerste keer in Rusland in 2012 nog nooit overkomen, maar het gebeurt sindsdien wel vaker. Zomaar. Als gevolg van mijn redelijke beheersing van het Russisch werpen mensen me toe: “Ben je een buitenlands agent?”

Maite, wat zeg ik daar in godsnaam op terug? “Welnee, Ik ben gewoon geïnteresseerd in jullie land, taal en cultuur?” – dat wordt met ongeloof ontvangen.

Laatst tijdens een optreden van On-The-Go kwam ik een jongen tegen. We babbelden wat tot ik de bekende glazige blik in zijn ogen zag verschijnen: hij vroeg zich af of ik misschien buitenlands was.
“Ik kom uit Nederland,” zei ik.
“Echt waar?” zei de jongen. “Je Russisch is erg goed. Iets TE goed. Serieus. Te goed.” Stilte. “Ben je een geheim agent?”

Ik lachte nonchalant boven mijn Old Fashioned. “Natuurlijk niet,” zei ik terug.
“Maar hé, jij komt me wel bekend voor,” vervolgde ik. “Stond jij niet onlangs met een vlag van Donetsk te zwaaien op Den Rossija?”

De jongen keek me gekweld en verbijsterd aan.
“Je lijkt er sprekend op,” drong ik aan. “Stond jij op de heuvel bij de universiteit met een Donetsk-separatistenvlag te zwaaien?”
“Nee, nee dat was ik niet,” zei de jongen beduusd.
“Wat jij wilt,” besloot ik, en nam een slokje.

Do Zvidanya,
Simone

Post uit Moskou 5

“Zoals het hoort” 

Brieven van en naar een flat naast de derde ringweg van Moskou. Maite en Simone schrijven elkaar over van alles en nog wat. “Alsof de homofobe Russen nu denken: goh, in Amsterdam staan mensen met vlaggetjes te zwaaien, eigenlijk zijn gays best oké.”

Milaya Maite,

Vorige week ging ik met een Russische vriend, V., naar een festival. Hij had me uitgenodigd mee te komen, maar bij aankomst bleek dat hij nog helemaal geen kaartjes had. Anderhalve meter voor de portier belde V. een vriend van een vriend uit de organisatie en begon direct ontzettend te schelden:
“Ik sta hier voor de deur zonder kaartje, komt er nog iemand een pasje brengen of wat? […] Veertig minuten? Wat denk je, dat ik hier zo lang ga wachten? Kom hierheen! Schiet op!”

Ik ben inmiddels zo lang in Rusland dat ik soms vergeet dat dit asociaal gedrag is. Ongemerkt heb ik zelf ook wat nieuwe gewoontes opgepikt: in Amsterdam ging ik met een oud-collega, John, uit eten. Ik stootte per ongeluk mijn wijn om, wenkte de serveerster en omcirkelde, zonder mijn verhaal te onderbreken, in de lucht met mijn wijsvinger de plek waar het drankje lag. John’s mond viel open. “Jezus Christus, Simone…”. Oh ja.

Het verbaast me ook dat mijn moeder nog geen bombrief heeft opgestuurd sinds ik de gewoonte heb ontwikkeld om een uitdrukkingsloze “Hm-hhmmm” als volwaardig antwoord in gesprekken te hanteren. Maar toch, Maite, maar toch. Op mijn harde schijf staat een onuitwisbaar stukje Nederland geprogrammeerd. En goddomme, ik voel me soms zo verschrikkelijk Nederlands in Moskou.

Casual conversation kom ik vaak best door zonder voor een niet-Rus te worden aangezien. Als mijn gesprekspartner na een tijdje begint te fronzen omdat er iets ‘niet helemaal juist’ moet zijn, denken ze vaak nog dat ik een Est, Let, of misschien Oekraïense ben – niet al te ver weg van het moederland. (Door de huidige politieke situatie word ik hierdoor ook nog wel eens voor spion of geheim agent aangezien, maar daar zal ik je in een andere brief over schrijven.)

Wanneer er geklonken wordt, roep ik altijd grof “proost!” – tot teleurstelling van de Russische tafelgenoot, die een ellenlange anekdote vol lof over het gezelschap en onze ontmoeting verwacht. Ook kan ik het vaak niet laten om te verkondigen: “In Nederland doen we het zo…” als iemand beklag doet over de Russische gang van zaken. Bij de metro zeg ik nog altijd: “Goedemiddag, zou ik alstublieft een kaartje voor negentig minuten mogen?” in plaats van “Negentig minuten” te grommen. Of Russischer nog: zonder een woord de roebels naar voren schuiven, de kassière weet immers zelf ook wel dat ze kaartjes verkoopt.

In principe is er ook geen reden om deze laatste vriendelijkheden af te zweren, enkel omdat het geen lokale gewoonten zijn. Wellicht, met vasthoudendheid, blijft er wat als sediment op het Russische plakken. De kassières lachen inmiddels ook al samenzweerderig met mij zodra ik binnenkom.

Do zvidanya,
Simone

Foto: Pinksteren, jaren vijftig in Pskov.